Museum aan het Vrijthof
ZOEKEN
ENGLISH
CONTACT
Als ik met mijn werk heb bijgedragen tot vermeerdering van het geluk der mensen en als ik - voorzover een kunstenaar een apostolische roeping heeft, al is het dan wat mij betreft nog zo weinig - iets heb kunnen openbaren van de schoonheid en reinheid van de Goddelijke Schepping, dan is mijn werk niet voor niets geweest.” - Rob Graafland, 1937.


Rob Graafland werd op 26 november 1875 geboren in Maastricht. In 1890 verhuisde het gezin Graafland naar het huidige Amstelveen en vervolgens naar Amsterdam. Graafland werd leerling aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en hij volgde lessen op de Quilliniusschool (nu: Gerrit Rietveld Academie). Hij vervolgde zijn studie in 1895 op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn leermeesters waren August Allebé en Carel L. Dake. Zij werkten in de traditionele romantisch-academische stijl. Voor hen was de kunst van het verleden een grote inspiratiebron. Dit kan verklaren waarom een groot gedeelte van het vroege werk van Graafland wordt gedomineerd door het Rembrandtieke coloriet met veel bruintinten en waarom zijn vroege werk nauwelijks beïnvloed lijkt door de vernieuwende tendensen van het impressionisme of symbolisme. Tijdens zijn studie raakte Graafland bevriend met zijn medestudent Herman Gouwe, die vanaf 1908 in de zomer regelmatig bij hem en Maria Graafland logeerde.

In 1898 werd Graafland aangenomen als tekenleraar aan het Stadsteekeninstituut in Maastricht. Eerst vestigde hij zich in het centrum van Maastricht, enkele jaren later liet hij volgens eigen ontwerp een villa bouwen aan de Scharnerweg. Graafland was een ambitieuze, jonge docent en wilde het talent van zijn leerlingen verder ontwikkelen. Samen met het Stadsteekeninstituut richtte hij de Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten op. Hij had enkele zeer begaafde studenten zoals Jules Brouwers, Charles Hollman, Jean Grégoire, Edmond Bellefroid en Henri Jonas. Zijn groep leerlingen werd later ‘De klas Graafland’ genoemd. In de winter schilderden ze in de Augustijnenkerk in Maastricht en in de zomer trokken ze erop uit om en plein air (in de buitenlucht) te schilderden. Mathieu Kemp vertelde over Graafland: “De leerlingen hadden een groot respect voor hun leermeester. Hij had een ‘Multatuliaans’ karakter, was een autocraat en aristocraat, een agnosticus, behulpzaam en beminnelijk. Hij sprak niet alleen over de schilderkunst, maar ook over literaire en muzikale onderwerpen (…) Uiteindelijk is hij met zijn Zondagsschildersschool en tekenonderwijs de voorloper en grondlegger geweest voor de ontwikkeling van een Kunstnijverheidsschool en de latere Jan van Eyckacademie.”

In 1902 trouwde Graafland met de gefortuneerde Maria Duquesne uit Heer. Zij heeft vaak model gestaan voor de portretten van Graafland. Het paar maakte een huwelijksreis naar Italië. Dit land, met name Venetië, zou Graafland jaren later inspireren tot fraaie kleurrijke schilderijen. In 1903 kreeg het echtpaar een dochter: Suzanna. Ook zij en haar vriendin Adriënne van der Boorn stonden model voor Graafland en zijn leerlingen. De meisjes kregen dikwijls een doosje bonbons voor de moeite. In 1905 ondernam Graafland een reis naar Amerika. Daar wilde hij zich oriënteren op de artistieke ontwikkelingen. Dit is vrij bijzonder; zijn tijdgenoten bezochten Parijs voor hun artistieke ontwikkeling. Graafland bezocht Staten Island en trok er met andere kunstenaars op uit om buiten te schilderen. Een opmerkelijke gebeurtenis was zijn bezoek aan een indianenstam. Graafland schijnt aanvankelijk tijdens dat bezoek met de dood bedreigd te zijn, maar hij wist indruk te maken door een portret te tekenen van het opperhoofd. Na zijn terugkomst in Maastricht in 1906 werd zijn zoon Charles geboren. Het gezin verhuisde om financiële redenen naar België. Later begon Graafland met het illustreren van boeken, week- en maandbladen. Dit bleef hij de rest van zijn leven doen.

In 1911 verhuisde het gezin naar een groot huis in de Burgemeester Ceulenstraat 22 (nu: 78) in St. Pieter. Hier brak de gelukkigste periode uit Graaflands leven aan. Hij ontwikkelde zijn eigen stijl: romantisch impressionisme, neigend naar het Belgisch/Frans impressionisme. De doeken zijn te herkennen aan de snelle en spontane penseelvoering en een intens en stralend kleurenpalet. De onderwerpen koos hij uit zijn directe omgeving. De schilderijen uit deze periode stralen vreugde en schoonheid uit. Graafland was ontevreden met de donkere Rembrandtieke kleuren van zijn vroegere werk en vernietigde deze schilderijen. Werken van voor 1909 zijn daardoor zeldzaam. Het huis op St. Pieter had een grote tuin in Italiaanse sfeer waar Graafland vanaf 1911 met zijn klas schilderde. Er werden ook veel feesten gegeven. Deze tuin is op menig schilderij gemaakt tussen 1911 en 1919 terug te zien. Adriënne van der Boorn, vriendin van Graaflands dochter, vertelde over de Italiaanse tuin: “in het midden was een fontein, en hier en daar stonden beelden en tuinvazen. Terwijl wij er speelden werden we vaak getekend. Ik heb ook wel eens alleen moeten poseren, op het randje van de fontein, omringd door wel twaalf schilders (…) Jonas, Eberhard, Postmès, Gouwe, Kooi, Narinx, Bakhoven (…)” Het huis in St. Pieter werd een ontmoetingsplaats voor de leerlingen en vrienden van Graafland. Er werd hartstochtelijk gediscussieerd en muziek gemaakt. Gouwe schreef hierover dat Graafland een populaire man was en een filosofische trek in zijn karakter had. Behalve zijn huis in St. Pieter, was Cafe Suisse op het Vrijthof een belangrijk trefpunt voor kunstenaars. Graafland exposeerde in Maastricht en in Amsterdam. In 1910 exposeerde hij o.a. samen met Piet Mondriaan en Jan Sluijters in het Stedelijk Museum. In datzelfde jaar richtte hij samen met andere schilders de ‘Limburgse Kunstkring’ op. Het Museum aan het Vrijthof bezit een collectie schilderijen en tekeningen van deze groep. Graafland werd bewonderd zowel in Limburg als in Holland.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veranderde echter alles. Geld dat hij had belegd bleek plotseling niets meer waard te zijn en zijn leerlingen gingen hun eigen weg. Ook zijn gezondheid ging achteruit, hij leed aan depressies. In 1919 werd aan Graafland pensioen verleend, hij was toen 44 jaar oud. Er brak een lange periode aan dat hij niet meer kon schilderen. Maar hij bleef wel actief als illustrator van kinderboeken en week- en maandbladen. Hij werd tekenleraar aan de R.K. Huishoudschool in Maastricht, voorzitter van de Schoonheidscommissie in Maastricht en Valkenburg-Houthem. Vanaf 1922 verhuisde het gezin meerdere malen. In 1933 bereikte Graaflands depressie een dieptepunt en hij schoot zichzelf door het hoofd. Hij overleefde het, maar verloor het licht in zijn rechteroog. Graafland werd opgenomen in een psychiatrische inrichting, maar was merkwaardig genoeg korte tijd later genezen. Na een periode van veertien jaar kon hij weer schilderen. In een interview uit 1937 vertelde hij dat het oratorium Die Schöpfung van Joseph Haydn hem had betoverd om opnieuw te beginnen met schilderen. Vanaf toen legde hij zich vooral toe op het portretschilderen en hij ontving veel opdrachten. In het interview uit 1937 stelde hij dat het leven veel rijker is dan alle fantasie en hij daarom het leven schilderde. De mens was zijn belangrijkste onderwerp: “ik schilder technisch alles, alles wat je maar wilt. Maar het liefste de mens.” In 1940 kreeg Graafland kanker. Zijn laatste onvoltooide doek is het ‘Bruidje’, in de collectie van het Museum aan het Vrijthof. Op 28 april 1940 overleed Rob Graafland in het Sint Joseph ziekenhuis in Heerlen.

                                © Museum aan het Vrijthof

Bronnen:
Interview met Frido Graafland, Maastricht 26-9-2013
Interview met Rob Graafland, Vught 1-3-1937 (RKD persdocumentatie)
I. Suidman, Robert Graafland, in: Kunstwerk, jrg. 4, nr. 6, dec 1992 /jan 1993
T.W. Twaalfhoven, Robert-Archibald Graafland (1875-1940); een hommage aan een grote Limburgse meester van de schilderkunst rond de eeuwwisseling, Venlo 1975.
YouTube LinkedIn Twitter Facebook